Formosa
Tian slenterde door de smalle straten van Taipei, zijn heupgordel schurend van het gewicht aan moersleutels, schroevendraaiers en tangen. Zijn ogen gleden zoekend de omgeving af, speurend naar apparaten die vastliepen of haperden. Daar moest hij het van hebben. Als hij sneller was dan de officiële reparateurs kreeg hij een kleine bonus. Niet veel, maar in ieder geval iets.
Hij trok zijn aangepaste motorbril uit zijn vettige haar en schoof hem voor zijn ogen. Een subtiele tik activeerde de glazen. Hij had de twee verschillende lenzen weer werkend gekregen en kon hiermee de omgeving analyseren. Een knipperend scherm hier, een vastgelopen transportdrone daar. Zodra een apparaat een storing detecteerde, werd automatisch een melding verzonden. Tian kon die signalen onderscheppen. Na ontvangst werd de melding meestal binnen seconden goedgekeurd en kon hij aan de slag.
Vandaag stond hij gebogen over een Rover-transportwagentje nauwelijks groter dan een winkelkar. Het vervoerde normaal eten maar piepte nu zachtjes terwijl Tian de motorkap opende en de wirwar van draden inspecteerde. In het logboek zag hij zichzelf al meerdere keren terug, selfies van eerdere reparaties. Rover 231 was geen onbekende.
Zijn glimlach verdween toen een melding binnenkwam: Afgekeurd. Voertuig dient te worden afgeschreven. Geen reparatie, geen betaling.
Tian knakte zijn vingers. Hij had die credits nodig. Maar het gemak waarmee machines werden afgedankt deed hem pijn. Het voelde persoonlijk. Hij en zijn zusje Yue wisten hoe dat voelde.
Met een tik startte hij een videogesprek. Automatische stemmen ratelden voorbij terwijl hij zich door de protocollen worstelde. Code invoeren, bevestigen, scherm na scherm. Pas toen hij meermaals eiste een operator te spreken verscheen eindelijk een vrouw. Slordig opgestoken haar, donkere kringen onder haar ogen. Ze keek nauwelijks op, zichtbaar geïrriteerd.
“Kan wel zijn,” mompelde ze vlak. “Maar het ding is te oud. Niet de moeite waard.”
Tian werkte ondertussen door. Schroeven en bedrading zaten los bij de ingedeukte plekken van het wagentje, vermoedelijk sporen van schoppen, duwen en slijtage. Hij draaide alles stevig vast en wachtte tot de rode storingslampjes één voor één groen kleurden. Intussen wreef hij met zijn mouw een laatste moddervlek weg en het werk was klaar.
“Wacht,” zei hij en kantelde zijn bril zodat de camera het werk kon vastleggen. “Kijk. Alles werkt. Geen reden tot afschrijving.”
Het karretje bromde zacht en schokte vooruit. De wieltjes rolden soepel over de stoeptegels. De operator zuchtte hoorbaar maar gaf toe.
[Transactie: geaccepteerd] verscheen op zijn bril.
Vlak daaronder flitste een tweede melding:
[Systeemstatus: herstelprotocol geactiveerd. Ongebruikelijke empathie gedetecteerd.]
Tian trok zijn wenkbrauwen op. Die melding kwam normaal nooit.
Het scherm knipperde en de melding verdween. Tian zag zijn saldo met een paar schamele credits stijgen. Hij rende achter de Rover aan, maakte snel een selfie voor het rapport en zei: “Houd je taai. Zonder elkaar zijn we gedoemd.”
Met zijn 15 credits op zak slenterde hij verder langs de bruisende eetkraampjes, hopend op een nieuwe klus: een kapot gasstel, een lekkende vriezer, misschien een robotarm die vastzat tijdens het wokken. Maar niets. Alleen de pijnlijke confrontatie met de prijzen: 40 credits voor vleesballetjes, 70 voor kippenvleugels. Zelfs een eenvoudige wontonsoep was onbetaalbaar.
Terwijl hij doorliep veranderde het straatbeeld. De drukte van de markt maakte plaats voor een rustiger en meer georganiseerd district. Tian’s aandacht werd getrokken door een groep mensen die lachend stonden te filmen. Voor een ijssalon stuntelde een robotarm met softijsjes. Het was duidelijk niet voor consumptie. De machine duwde het ijs tegen het frame, vergat te zakken voor een nette swirl en als het dan eindelijk leek te lukken viel het hele ijsje verkeerd in het houdertje en klapte op de grond. Zijn bril piepte. Nieuwe opdracht. Bonus: 30 credits. Reputatie van de winkel redden. Geen programmering vereist. De menigte zuchtte teleurgesteld, toen hij de robot uitschakelde. Tian draaide met zijn ogen. Natuurlijk, geen blunders meer om te filmen.
Met dezelfde aandacht als bij het karretje maakte hij alles schoon. In de arm slipten een paar tandwielen. Hij bevestigde ze stevig en gleed met zijn vingers over de bedrading. Voor de zekerheid sloot hij zijn bril met een kabel aan op de console. Zijn ogen gleden over de code: niets opvallends.
“Zo te zien had je gewoon wat aandacht nodig,” zei hij zacht, terwijl op de achtergrond klanten mopperden die juist voor het geklungel waren gekomen. Hij negeerde ze en liep weg.
Na een lange dag stapte Tian zijn krappe werkplaats die tevens als woning diende binnen. De koude vloer beet in zijn sokken terwijl hij zijn versleten schoenen uitschopte. Zijn blik gleed langs de roestige jerrycans en gasflessen tegen de muur, labels verbleekt of haastig overschreven. Ze waren onschuldig. Toch liep Tian er met een boog omheen.
Aan het einde van de muur flakkerde een gaslampje, de enige lichtbron. Elektriciteit was te kostbaar.
Hij blies het laatste beetje warmte uit zijn longen en begon te rillen. De kou trok door de dunne muren, blies door spaanplaten en hing zwaar in de lucht. Het rook er naar verbrand plastic en zweet. Een geur die niet meer verdween in hun werkplaats-huis. Afkomstig van de vele onafgemaakte machines.
Onder een versleten werkjas klonk een zacht gekreun dat overging in een diep gegrom. Die had ooit de brede schouders van zijn vader bedekt. Eens imposant en trots, nu een kluizenaar in zijn eigen werkplaats.
Tian keek over de tengere schouders van zijn vader mee. Zijn hand trilde bij het aandraaien van piepkleine schroefjes.
“Papa,” zei Tian zacht, terwijl hij dichterbij kwam. De vloerplanken kraakten. “Het is laat. Kom je niet slapen?”
Hij trok aan zijn vaders mouw, maar zijn woorden verdwenen in een hevige hoestbui. Het gezicht van zijn vader liep rood aan, de aderen in zijn hals zwollen en het slijm leek hem te verstikken.
Tian keek weg. Zijn blik viel op een ander onaf project: een robotarm die schuin op de werkbank lag, kabels loshangend als noedels.
Voor hij het kon aanraken, klemde een ijzeren greep zich om zijn pols. Een fractie van een seconde dacht hij dat de robotarm tot leven kwam. Maar de ijzige blik van zijn vader verjoeg die gedachte meteen.
“Raak geen besmet schroot aan,” waarschuwde zijn vader hees.
Tian’s ogen schoten naar de donkere, blauwachtige gloed aan de zijkant van het frame. Het had zich al die tijd verborgen gehouden. Als lichtgevende zandkorrels droop het op onnatuurlijke wijze uit het materiaal. Alsof het hem wilde verleiden, maar het verdween weer net zo snel.
“Je moeder… het gif heeft haar al van me afgepakt. Ik weiger ook jou of je zus te verliezen.”
Langzaam liet hij Tian’s pols los. Zijn vingers trilden nog en de paniek stond vers in zijn ogen. Hij wees naar een stapel onderdelen.
“Draai jij die laatste schroefjes vast? Mijn ogen werken niet meer mee.”
Voor een moment voelde Tian trots. Maar die trots werd snel overschaduwd door iets anders: dit was geen vertrouwen. Zijn vader had simpelweg geen keuze meer.
Die nacht kon Tian de beelden niet uit zijn hoofd krijgen: de trillende handen, het onophoudelijke hoesten en de blauwe gloed.
Het was niet alleen vermoeidheid. Het was besmet schroot. Hetzelfde gif dat hun moeder had weggenomen vrat nu aan zijn vader.
Een tik van een wandelstok maakte hem wakker. Half slapend draaide hij het gaslampje aan en klapte zijn spiraalbed tegen de muur. Het kraakte; iets stond op breken, maar hij had geen energie om dat nu te maken. Het leer van zijn tassen schilferde af toen hij ze over zijn schouders hing. Yue stond naast hem, wrijvend in haar ogen. Ze tastte naar zijn hand.
“Hier ben ik,” fluisterde Tian, terwijl hij haar kleine hand pakte.
“Moeten we alweer…?”
“We moeten wel. Het is de enige manier om iets extra’s te verdienen.” Tian balde zijn vuist. “Als ik meer opdrachten kreeg, hoefde dit niet.”
Yue keek op en vloog haar broer in de rug met een stevige knuffel.
“Dan knijp ik die gierige klanten gewoon uit tot de laatste cent,” zei ze met een gluiperige lach die niet bij haar leeftijd paste.
Tian zuchtte, rolde met zijn ogen, maar glimlachte. Hij begreep zijn vader steeds beter. De droom om te ontsnappen leek verder weg dan ooit.
Zelfs de roldeuren kreunden toen hij ze dichttrok. Het frame was verbogen en kraakte aan alle kanten. Met wat smeersel, een koevoet en wat brute kracht kon hij het misschien repareren, maar olie en tijd had hij niet.
Yue’s wenkbrauwen trokken samen terwijl ze zich wrijvend probeerde op te warmen.
“Kunnen we niet gewoon overdag gaan?”
“De blauwe gloed zie je beter ’s nachts,” zei Tian, terwijl hij haar speels probeerde te pakken. “Zelfs jij kunt die nu niet missen.”
Hun vader tikte statig met zijn wandelstok op de grond toen Yue langs hem rende, vluchtend voor haar broer.
In het maanlicht volgden ze hem naar de rand van de stad waar de natuur weer begon. Wilde bloemen groeiden tussen het mos, omringd door bomen. Geen lampen, geen digitale schermen, geen kabels. Alleen natuur. Niet uit liefde voor het groen, maar omdat de mens hier simpelweg niet zonder kon. De steden waren al lang niet meer verbonden en lagen geïsoleerd tussen zeeën van planten en bomen. Een barrière tegen wat zich via staal en technologie verspreidde: de besmetting. Alleen aarde, steen en hout konden het tegenhouden.
“Papa, hoe hebben ze dit hier gekregen als het zo dodelijk is?”
“Met genoeg filantropen, wanbetalers en gevangenen kom je een heel eind.”
Yue trok zachtjes aan Tian’s mouw.” Zijn die dan nu ook… zoals mama?”
Tian keek kort naar zijn vader die de vraag negeerde. Zijn gezicht verstrakte. De
nachtelijke tochten hielden hen op de been, maar voor hoe lang?
Hun vader haalde een verkreukeld papiertje uit zijn zak.
“Kun je dit vinden?”
Tian knikte. Dit terrein kende hij goed. Hij wist ongeveer waar de onderdelen lagen.
“Ik ga koper zoeken!” riep Yue, die zonder plan in de eerste de beste berg schroot dook.
Hun vader gaf enkel een knik en hield de omgeving scherp in de gaten. Iets wat vroeger Tian’s taak was.
Zijn lijst was snel compleet, maar hij dwong zichzelf door te zoeken naar meer. Overal lag waarde, maar niet alles kon mee. Te zware of te grote vondsten noteerde hij vlug met zijn werkbril die altijd op zijn hoofd zat of om zijn nek hing.
Op een berg schroot keek hij toe hoe de blauwe gloed dichterbij kroop. Over verschillende plekken bewogen meerdere groepen, alsof ze iets zochten. Zolang hij bleef bewegen was hij veilig.
Een rauwe hoest klonk in de verte. Paniek. Zijn vaders stem volgde, zwak maar doordringend.
Niet ver van hem trok hun vader met zijn wandelstok Yue naar zich toe. Een ruk over scherp schroot gaf haar schrammen, maar beter dat dan de besmetting. Zijn hand klemde om de stok, maar zijn grip faalde.
Vroeger had hij haar in één ruk teruggetrokken. Nu gleed de stok uit zijn handen, verloor hij zijn evenwicht en struikelde. Zijn lichaam liet hem in de steek.
De blauwe gloed veranderde in een duisterpaarse zwerm die als een levend wezen door het schroot kroop.
“Y-Yue,” stamelde hun vader schor, nauwelijks hoorbaar.
De hoestbui die daarop volgde maakte het alleen maar erger.
Yue zat met haar schouder tegen het schroot gedrukt en merkte nu pas de gloed op. Het licht pulseerde door het materiaal als golven, steeds dichterbij. Ze probeerde nog weg te komen, maar het was te laat.
Met brute kracht werd ze naar achteren getrokken. Haar lijf vloog door de lucht en sloeg met een doffe klap op de grond.
De lucht werd uit haar longen geperst. Ze hapte naar adem, haar ogen groot en waterig.
“A-auw…” Haar stem trillend van schrik.
Tian’s hart sloeg over.
“Yue!”
Hij viel naast haar op zijn knieën en zag meteen de bloedende schram op haar arm. Niet diep, maar lang en ruw. Ze bewoog haar vingers voorzichtig, haar onderlip trillend terwijl ze naar de wond staarde.
“Het gif…” fluisterde ze, haar stem schokkerig.
“Je bent veilig,” zei Tian snel terwijl hij haar richting een stuk open grond trok. “Hier kan het niet komen.”
Tian keek gehaast om zich heen. Hij had niets bij zich, geen verband, geen doek, alleen smerige lappen die hij net nog had gebruikt voor schroot. Niet goed genoeg. Zijn blik viel op een stuk scherp metaal vlakbij.
Hij aarzelde geen seconde. Met een snelle, ruwe beweging trok hij het langs de onderkant van zijn shirt. De stof scheurde met een scherp geluid.
Yue keek met grote ogen toe. “Nee! Niet doen, je maakt je kleren kapot!”
“Anders blijft het bloeden,” mompelde hij terwijl hij haar arm voorzichtig vastpakte. “Dit is tenminste nog soort van schoon.”
Ze snotterde en knikte uiteindelijk. “O-oke…”
Hun vader lag een paar meter verderop, hijgend, een hand tegen zijn borst gedrukt.
Tian wilde iets zeggen, maar zijn keel voelde stroef. Hij had zijn vader maar één keer in zijn leven zien huilen; bij het verlies van hun moeder.
Nu huilde hij opnieuw. Niet van verdriet, maar van uitputting en pure onmacht.
Yue snoof en veegde met haar vrije hand haar ogen droog. “Ik wil naar huis.”
Die avond thuis zaten ze met hun verwondingen bij elkaar. Hun kleding met kleurrijke stiksels die de talloze gaten bij elkaar hielden leek steeds meer op de gerepareerde machines om hen heen. Alles hing hier aan elkaar met noodoplossingen.
Hun vader zakte zuchtend in zijn stoel en keek naar de onderdelen die Yue triomfantelijk op tafel legde. “Hoe voelt je arm?” vroeg hij, terwijl hij voorzichtig de stof los wikkelde. Het bleef plakken aan de wond. Met een frons schoof hij zijn bril recht.
Yue haalde haar schouders op. “Gaat wel,” mompelde ze onverschillig, alsof het allemaal niets voorstelde.
“Niets om je zorgen over te maken,” mompelde hij, maar Tian zag de frons op zijn voorhoofd niet verdwijnen. Hun vader schudde zijn hoofd en liet zijn blik over haar dunne armpjes glijden. Littekens van eerdere verwondingen waren nog duidelijk zichtbaar.
“Wees alsjeblieft wat voorzichtiger, Yue,” zei hun vader met een serieuze ondertoon. “Je hebt maar één lichaam. Dat kun je niet, zoals de rest hier,” hij gebaarde naar de rommelige werkplaats om hen heen, “zomaar vervangen.”
Yue kneep haar ogen dicht toen Tian speels in haar wang kneep. “Dat is jouw probleem,” zei hij op een belerende toon terwijl hij haar wond schoonmaakte. “Je bent véél te gefocust.” Hij kneep nogmaals iets harder toen hij merkte dat ze hem negeerde.
“Eihkk! Laat me los!” protesteerde ze, haar stem half verstikt door Tian’s greep.
Ze wurmde zich onder zijn hand vandaan en haalde een klein stukje metaal uit het diepe voorzakje van haar veel te grote shirt, een oud shirt van hun vader waarvan ze de mouwen had opgerold. “Ik weet al aan wie we deze kunnen verkopen,” zei ze met een ondeugende blik.
Hun vader keek peinzend naar het voorwerp in haar hand. “Slim meisje,” zei hij zacht, terwijl hij het zorgvuldig oppakte en inspecteerde. Daarna zuchtte hij en schudde licht zijn hoofd. “Maar nog steeds veel te roekeloos.”
Yue klapte haar bed uit en plofte er met een zucht boven op neer. Hun vader gaf haar een kus op haar voorhoofd en gebaarde dat Tian hetzelfde moest doen.
“Ik kom je nog even helpen,” zei Tian, terwijl hij zijn vader al achterna liep.
De botten van zijn vader kraakten toen hij zich moeizaam omdraaide in een poging om op gelijke hoogte met Tian te komen. Hij legde een hand op Tians schouder. Niet om hem gerust te stellen, maar omdat hij anders zijn balans zou verliezen. De inspanning was duidelijk te zien op zijn gezicht, maar toch glimlachte hij warm.
“Slaap is belangrijk voor je geest en creativiteit,” zei hij met zijn zachte, schorre stem. “Zonder slaap wordt dit niet meer dan lopendebandwerk.”
Tian knikte aarzelend.
“Je bent net als je moeder,” ging zijn vader verder. “Ongelofelijk zorgzaam en koppig.” Hij keek zijn zoon even doordringend aan. “Ik ben alleen bang dat je net als zij door je nieuwsgierigheid verkeerde keuzes zult maken.” Zijn blik gleed naar de robotarm in de hoek van de werkplaats. Met een trage beweging duwde hij zichzelf overeind, zijn hand op zijn onderrug. “Het is goed om jezelf uit te dagen, maar wees alsjeblieft voorzichtig. Als jij me geen hartverzakking bezorgt, doet je zusje het wel.”
Zijn ogen vulden zich met vocht en snel draaide hij zich weg, net zoals Yue altijd deed wanneer ze haar emoties niet wilde tonen. “Ik weet niet of ik dit nog lang volhoud, Tian,” fluisterde hij. “Ik heb gefaald. In het zorgen voor jullie…” Hij schudde zijn hoofd. “En in het zorgen voor je moeder. Ze was het enige wat ik niet kon repareren.”
Tian wreef met zijn hand over de onderrug van zijn vader. Zelfs door de werkjas heen voelde hij de botten. “Al is mama eerder dan verwacht vertrokken, ze leeft voort. In ons hart. In onze gedachten,” antwoordde Tian.
“En zelfs in je werk,” vulde zijn vader aan. Hij snoof, greep trillend zijn stok vast en liep met houterige passen naar zijn vaste plek in de werkplaats.
De kou kroop onder Tians broekspijpen door en gaf hem rillingen. Hij keek naar zijn vader die zich moeizaam in zijn stoel liet zakken. Diezelfde stoel waar hij nachtenlang in werkte, zelfs nu zijn lichaam hem al had verraden.
Tian beet op zijn lip. Hij wilde iets zeggen, alles zeggen, maar zijn stem bleef droog. Hij staarde naar de vloer, zijn voeten zwaar. Hij slofte naar zijn bed, maar net toen hij wilde instappen draaide hij zich om. Zijn benen bewogen voordat zijn gedachten het konden bijbenen.
Hij rende naar zijn vader en omhelsde hem stevig, misschien iets te stevig, waardoor zijn vader begon te proesten. Maar dat leek hem niets uit te maken. Want de koude hand van zijn vader wreef liefdevol over de zijne.
“Dankjewel voor alles, pa.”
Zijn vader zei niets, maar Tian voelde de greep van zijn magere hand even aanspannen.
Veel uitgeruster dan ooit tevoren werd Tian wakker. Hij staarde naar de ventilator aan het plafond waarvan hij zelf nog de bladen had gemaakt. De ene had hij gesoldeerd, de andere vastgeschroefd en tot zijn verbazing hing die er nog steeds.
Misschien was hij zo uitgerust omdat hij eindelijk had gedaan wat hij al die tijd wilde doen: zijn hart luchten, al was het maar in de vorm van een knuffel. Hij rolde zich om en zag een been van Yue bungelen over de rand van haar bed. Ze snurkte zachtjes, diep in slaap.
Tian’s ogen knipperden tegen het felle daglicht dat door de gebarricadeerde ramen sijpelde. Zijn hart sloeg over. Het was veel later dan normaal. Hij sprong overeind, greep zijn rugzak en wekte zijn zusje met een paar snelle tikken op haar voet.
“Yue, wakker worden!” riep hij. Hij trok zijn rugzak om en stormde naar de werkplaats.
“Pa!” Zijn voetstappen vertraagden. “Pa! Waarom heb je ons niet wakker gemaakt?” Zijn stem werd zachter. “Pa…?”
Hij liet zijn tas vallen en liep naar zijn vader toe. Zijn vingers raakten de huid van zijn arm die koud en vochtig aanvoelde. Geen ademhaling, geen zuchtje, geen kuch. Niets.
Tian deinsde achteruit, hij wist genoeg.
Achter hem klonken voetstappen. Yue. Ze stopte. Haar trillende hand vond de zijne.
“Is pa…?” snikte ze. Haar stem brak.
Tian kneep voorzichtig in haar hand als antwoord. Dat was genoeg. Net als hun moeder had hij hen voorgoed achtergelaten.
Later die dag legde Yue het bord met speklapjes voorzichtig op het houten altaar, terwijl Tian met een diepe buiging de kom rijst erbij zette. Aan de andere kant stond een schaal met een hele vis, compleet met kop en ruggengraat. Met het beetje dat ze nog bezaten hadden ze eten voor hun ouders gekocht, een laatste gebaar, om hen te eren.
“Denk je dat mama dat expres deed?” vroeg Yue, terwijl ze met een vies gezicht naar de open bek van de vis keek, alsof die hen in zijn laatste adem nog wilde bijten. “Ze wist toch dat we dit vreselijk vonden?”
Tian grijnsde flauwtjes. “Ik denk het wel. Hoe langer wij met die graten zaten te klungelen hoe meer tijd zij had om rustig te eten.”
Yue knikte en wees naar de kop van de vis. “Weet je nog wat ze altijd zei? Over de wangetjes?”
“Het lekkerste stukje van de vis, het zachtste,” antwoordde Tian, zijn stem een perfecte imitatie van hun moeder.
Yue lachte en blies haar wangen op terwijl ze met haar lippen visachtige bewegingen maakte.
“Ik denk dat die van jou nog malser zijn,” plaagde Tian en prikte haar in een wang.
De geur van sandelhoutwierook vulde ondertussen de werkplaats. In het midden van het altaar stond het houten standbeeldje van Guan Gong, de Generaal-God, met links de foto van hun moeder en nu rechts ook die van hun vader.
Het altaar was bijna compleet, dacht Tian. Diep van binnen had hij het gevoel dat het niet lang meer zou duren voordat ze als familie weer samen zouden zijn.
Tian besloot de dagen erna de werkplaats draaiende te houden en rondde de laatste openstaande orders af. De werkplaats voelde alleen stiller aan dan ooit tevoren. Er kwamen geen nieuwe opdrachten meer binnen. De enige keuze die hij nog had, was om er zelf op uit te gaan voor kleine reparaties. Maar met het beetje kleingeld dat dit zou opleveren, kon hij de werkplaats nooit behouden.
“Yue, kom eens,” zei Tian, terwijl hij een stoffige doek van een machine aftrok. De inktvlekken waren diep in de stof doorgedrongen. Yue voelde met haar kleine vingers over de drukpatronen en vroeg: “Hebben we alleen wel genoeg papier en inkt?”
Tian begon te rommelen in een nabije kast en kwam even later terug met een klein potje. De onleesbare tekst op het label was door de jaren heen vervaagd, maar hij wist dat het de inkt was. Yue kwam met de andere helft aanzetten: een stapel verkleurde velletjes papier die tot ver boven haar hoofd uitstak.
“Dit ding is net zo hardnekkig als onze grootvader,” mompelde Tian terwijl hij het apparaat inspecteerde. “Eeuwig trouw en niet kapot te krijgen”
Het was een oud drukpersje, een erfstuk van hun grootvader dat hun vader altijd zorgvuldig had onderhouden.
De metalen hendel was versleten door jarenlang gebruik, en de rubberen stempelkussens roken nog vaag naar olie en inkt. Tian druppelde voorzichtig een beetje inkt op het kussen, vulde de gleuf met papier en zette zijn hele gewicht achter de hendel. Met een schurend geluid kwam de drukplaat naar beneden en even later rolde er een flyer uit.
“Ambachtelijke reparaties – Familiebedrijf al generaties lang.”
In de stad stonden ze op een druk plein, waar ze vroeger met hun vader vaak een kraampje hadden. Nu leek die plek hen vijandig aan te kijken. Yue duwde een flyer in de hand van een oudere man. Zijn ogen vernauwden zich.
“Waren jullie niet de werkplaats, met dat virus?” vroeg hij.
“We zijn gezond. En we doen reparaties, net als altijd,” antwoordde Yue met een beleefde buiging.
De man trok een wenkbrauw op en liet het papiertje achteloos vallen.
Het nieuws over hun overleden vader had zich razendsnel verspreid. Tian klemde zijn kaken op elkaar. Ook hij kreeg zijn flyers niet kwijt. Iedereen deed alsof het papier hun zou besmetten. Niemand gaf ooit om hun pa, maar nu was hij ineens wél belangrijk genoeg om haastig opgehaald te worden, als oud vuil.
Yue slikte en bukte zich om de flyer op te rapen, maar op dat moment voelde ze een vreemde druk in haar rechteroor, alsof ze onder water zat. Ze schudde haar hoofd, maar het geluid bleef gedempt.
Een wat oudere dame passeerde haar, haar ogen strak vooruit gericht. Yue haalde diep adem en haalde haar in. Ze glimlachte beleefd en drukte een flyer in de handen van de vrouw.
“Als uw waterkoker kapot is, of uw wasmachine, wij zijn er voor alle reparaties!”
De vrouw keek haar kort aan en fronste. “Is die niet gesloten na… alles wat er gebeurd is?” Haar stem klonk aarzelend, maar haar blik stak nog meer, alsof ze het papier liever niet wilde aanraken.
“Nee, nee, we zijn weer open!” zei Yue haastig, maar ze hoorde haar eigen woorden nauwelijks. De druk in haar oor bonkte, een dof geplop dat haar gehoor nog verder dempte.
De vrouw mompelde iets en liet de flyer vallen. “Ieuw,” klonk het nog.
Yue boog zich voorover om het papiertje op te rapen, maar haar ogen bleven hangen op een donkere, rode vlek. Haar maag kromp ineen. Het leek alsof er iets op het vel was uitgesmeerd. Ze hield het dichterbij en zag met een schok een paar verse druppels op het blad vallen.
Een lichte tinteling kroop over haar bovenlip. Ze veegde met de rug van haar hand langs haar neus en voelde iets warms. Iets kleverigs.
Bloed.
“Hé Yue, waar ben je? Ik heb misschien al iemand gevonden waar we…”
De woorden bleven in zijn keel steken toen Tian haar zag. Yue zat ineengezakt tegen de muur, haar rug naar hem toe. Eén arm hing slap langs haar zij, terwijl haar andere hand bloedrood gekleurd was.
“Yue…” snakte Tian. Hij stapte naar voren en knielde naast haar neer. Zijn hand greep haar schouder en draaide haar voorzichtig om. Haar gezicht was bleek, haar lippen verkleurd, en haar ademhaling zwak.
“Nee…,” fluisterde Tian. Zonder aarzeling tilde hij haar op, haar hoofd tegen zijn schouder gedrukt. Hij voelde de warmte van haar bloed door zijn kleding sijpelen, maar het kon hem niets schelen. Ze moest gered worden.
Het was druk, maar niemand hielp. Op het moment dat Tian met zijn zusje in zijn armen door de straten rende, weken mensen voor hem uit. Sommigen fluisterden, anderen keken met afgrijzen. De besmetting en dood van hun ouders hielpen daar niet aan mee.
“We zijn er, Yue. Nog even volhouden,” zei Tian, terwijl hij naar binnen stapte bij iets wat medisch leek, afgaande op het uithangbord dat in de wind wiegde.
Een receptioniste keek geschrokken op. “Wat… wat is er gebeurd?” Haar blik ging naar Yue, wiens gezicht bleek en bebloed was.
“Ze heeft hulp nodig. Nu,” zei Tian op een toon die geen tegenspraak duldde.
De vrouw aarzelde, haar ogen sprongen naar het bloed op zijn kleren. “Nee… dat kan niet. Jullie moeten gaan.”
Tian stapte dichterbij. Zijn blik was duister. “Wat bedoel je, dat kan niet?”
Een beveiliger verscheen in de deuropening. “Jongeman, ik denk dat je beter kunt vertrekken. We kunnen niets voor haar doen.”
Tian keek naar de receptioniste. Haar blik vertelde hem genoeg. Dat gif, die ziekte. Ze dachten dat Yue besmettelijk was.
“Maar… ze heeft hulp nodig!” sputterde Tian. Zijn blik gleed naar Yue, die nauwelijks nog ademde.
De beveiliger stapten dreigend dichterbij, maar Tian draaide zich om en liep naar buiten.
“Wacht maar, Yue. Ik laat je niet in de steek!”
Tian had nog één optie. Een oude, wat bijzondere man. Een andere keuze had hij niet.
De wachtruimte was precies zoals Tian het zich herinnerde: oude plastic stoeltjes en stapels vergeeld papier die door de vrouwen achter de balie met eindeloos geduld werden geordend.
Zonder aarzeling stormde hij langs de rij wachtenden, Yue stevig in zijn armen. Zijn bebloede kleding en de paniek op zijn gezicht trokken onmiddellijk de aandacht.
“Je kunt niet zomaar…” begon een van de receptionistes.
“Waar is hij?” snauwde Tian. “Waar is de dokter?”
De vrouw aarzelde, haar blik glijdend naar Yue’s bleke gezicht. Ze wees naar een open doorgang achter haar waar geen deur of enig teken van privacy te bekennen was.
De behandelkamer was precies zoals Tian zich herinnerde. Een enkele verroeste stoel met een versleten leren zitje stond in het midden van de kamer. Op een tafel ernaast lag een berg metalen instrumenten die allesbehalve schoon leken.
“Tian…” De dokter verstijfde toen hij Yue zag.
“Ze heeft hulp nodig. Nu,” zei Tian, terwijl hij Yue voorzichtig op de stoel neerzette. Het bloed van haar neus druppelde langs haar kin en viel op de vloer.
De kale, oudere man wiens vele rimpels hem een vertrouwd gezicht gaven, mompelde iets onverstaanbaars terwijl hij met een wattenstaafje langs de rand van Yue’s neus ging. In tegenstelling tot Tian was hij kalm en ging hij uiterst beheerst te werk. De gebruikte staafjes vlogen stuk voor stuk met een professionele worp richting de prullenbak, maar misten hun doel allemaal.
Tian kromp ineen van de stress. Verslagenheid was van zijn ogen af te lezen.
Een bouwlamp werd gericht op Yue’s oor, terwijl de dokter een leren band op zijn hoofd schoof. Aan de band zat een metalen schijf met een klein gaatje in het midden, waardoor hij nauwkeurig kon zien. De dokter greep zonder te kijken een bruine slang en spoot met hoge snelheid een vloeistof in haar oor. Alles aan deze procedure leek te absurd om effectief te kunnen zijn.
“Ze heeft een ernstige druk in haar hoofd. Mogelijk een infectie. Maar dit verklaart niet alles,” zei de dokter, terwijl hij met een ruwe hand Yue’s kaak onderzocht.
“Het is het gif. Die ziekte. Kunt u het genezen?” vroeg Tian met zijn tanden op elkaar. Want hij wist eigenlijk al het antwoord.
De dokter wierp hem een waarschuwende blik toe. “Zeg dat niet,” zei hij streng. “Als iemand hiervan hoort, krijg je niks meer gedaan.” Hij wees naar een smalle trap die naar boven leidde. “Zolang ze hier is, kan ik over haar waken. Dat is al meer dan een ziekenhuis wil doen.”
“Maar ik verwacht dat u haar geneest.”
“Daar is geld voor nodig. Veel geld, om medicijnen te kopen die haar hooguit wat tijd geven, genezen kunnen we niet.”
Tian zei niets meer. Hij pakte Yue voorzichtig op en volgde zonder nog een woord te zeggen de dokter de smalle trap op naar boven.
De kamer waar hij haar neerlegde was klein en deprimerend, de enige ventilatie kwam van een smalle kier tussen de houten planken van de muur. Het bed kraakte onder haar gewicht, alsof het al jaren niet meer was gebruikt.
“Rust uit,” fluisterde hij. Zijn hand drukte even op haar voorhoofd. Haar huid voelde klam aan.
Met een laatste blik op de dokter, die met gekruiste armen naar hem keek, draaide Tian zich om en vertrok.
Die nacht was koud en leeg toen hij thuiskwam. De geur van zijn vader hing nog steeds in de werkplaats, alsof hij nooit was weggegaan.
Zijn ogen brandden. Hij was moe. Hoe kon hij Yue redden als zelfs geld alleen maar wat tijd kon kopen?
Hij moest iets doen. Maar wat?
Zoals zijn vader altijd deed in tijden van piekeren, besloot Tian zichzelf af te leiden met werk. Alleen… er was geen werk. Geen opdrachten. Geen reparaties. Alleen de stilte van een verlaten werkplaats.
Zijn blik dwaalde af naar de stoffige boekenkast in de hoek van de kamer. Sinds de dood van hun moeder was die nooit meer aangeraakt. Hij stond op uit de versleten stoel van zijn vader. Tenminste, dat probeerde hij. De spieren in zijn benen gaven niet mee. Pas toen hij zich afzette tegen de leuning kreeg hij het voor elkaar. Met een trillende hand pakte hij een boek van de plank en blies het stof ervan af. Hij slikte. Niet uit spanning, maar uit pure vermoeidheid.
Meer code dan tekst. Rijen en rijen complexe algoritmes en berekeningen. Zijn moeder had haar kennis nooit voor zichzelf gehouden, maar echt interesse in deze aantekeningen had hij nooit getoond. Nu was het de afleiding waar hij naar op zoek was.
Hij bladerde verder. Zijn ogen gleden over de tekens die langzaam steeds meer betekenis kregen. De diepe zucht die volgde deed een stofwolk opwaaien, waardoor hij begon te hoesten. Een kleine spetter bloed verkleurde de codes in het boek. Dit keer was het zijn bloed, het virus. Tian deed alsof hij niets had gezien en besloot die avond niet te stoppen voordat hij elk boek had uitgeplozen, op zoek naar onmogelijke antwoorden die hem konden kalmeren.
Maar er kwamen geen antwoorden. Geen oplossing, niet eens een opzetje dat hem kon helpen. Helemaal niets over het virus, alleen oneindige codereeksen. Met een enkele korte zin die telkens onderstreept leek terug te komen.
Hoe red ik wat mij dierbaar is?
Het stond af en toe in de kantlijn, dook op tussen de code en was op enkele pagina’s doorgestreept, alsof ze het antwoord had gevonden, om het een paar bladzijden later weer opnieuw op te schrijven.
Zijn werkbril naast hem begon te trillen.
[Analyse gestart: vastberadenheid erkend.]
“Wéér zo’n rare melding. Je gaat me toch niet vertellen dat mijn bril nu ook al…”
Hij wreef in zijn ogen en viel met het boek nog onder zijn hoofd, uitgeput in slaap.
Zijn trillende bril maakte hem de volgende ochtend ongevraagd wakker. Geïrriteerd wilde hij de rare meldingen al wegdrukken. Maar dit… Dit was een reparatie-opdracht voor de ijsmachine die hij niet zo lang geleden nog had gerepareerd.
Hij kantelde zijn hoofd. Een herhaalopdracht, zo kort achter elkaar, kwam vrijwel nooit bij hem voor.
Met zijn hand wreef hij over zijn onderrug. Zijn hele lichaam schokte bij het opstaan. De hoofdpijn schudde hij weg, waardoor alleen de stressvolle gedachten aan zijn zusje achterbleven toen hij aankwam bij de ijsmachine.
Met een wazige blik staarde hij naar de melding. Het was een opdracht tot herstel van de code: programmeren…
Tian krabbelde achter zijn oren. Dit was iets wat iemand van het bedrijf zelf hoorde te doen, niet hij. Maar goed, hij kon het op zijn minst proberen nu dat hij weer helemaal was ingelezen. Met een diepe zucht opende hij weer de behuizing.
Geen gevallen stapels ijs of samengeknepen hoorntjes. Waarom was hij hier? vroeg hij zichzelf af.
Bij het aansluiten begon zijn apparatuur te zoemen. Samen met de informatie uit de boeken van zijn moeder voelde het net alsof ze nog even bij hem was. Al kreeg hij het niet helemaal voor elkaar, met een paar kleine aanpassingen leken de eerste foutmeldingen al te verdwijnen.
Tian knipperde met zijn ogen. Dezelfde blauwe gloed als in de mechanische arm in zijn werkplaats, het virus waar zijn vader nog zo voor had gewaarschuwd, flitste op. Maar nu… veranderde de kleur. Van helderblauw naar een diep donkerblauwe tint.
Het licht golfde zachtjes door het materiaal, alsof het ademde. Tian slikte en stak zijn hand uit, met de dreigende stem van zijn vader nog vers in zijn achterhoofd. Maar ergens had hij toch niets meer te verliezen. Hij was al besmet; voor één keer wilde hij het eens echt voelen, weten wat het was zonder zich ergens zorgen over te maken.
Voorzichtig raakte hij het aan. Geen pijn, geen brandende huid, alleen een zachte tinteling. Het leek met hem te spelen.
En toen… trok het in zijn lichaam. Een zichtbare gloed verscheen bij zijn vingers, trok langzaam op tot zijn bovenarm, maar net toen het verder wilde kruipen, trok het zich weer terug in de machine.
Tian lachte zwakjes en mompelde: “Zelfs het virus spuugt me weer uit…”
De display in zijn bril begon te zoemen en meerdere meldingen popten op:
[Nadering gedetecteerd: onderzoek van anomalie gestart. Afwezigheid van primaire angstrespons geverifieerd.]
Gevolgd door: [Reparatieopdracht voltooid.] en [Bestelling gearriveerd voor Tian Cheng.]
Tian begon spontaan te knipperen bij het zien van de vreemde berichten, maar was nog meer verbaasd toen hij de code zag. Getallen flitsten zo kort over het scherm dat je ze gemakkelijk had kunnen missen. Toch zetten ze de volledige lijst van foutmeldingen weer op groen.
Aarzelend klikte Tian zijn kabels weer los. “Het werkt weer? Maar ik heb nauwelijks wat gedaan…”
Plotseling klonk er een schelle toeter achter hem. Tian schrok, draaide zich met een ruk om en zag een rover-voedsel wagentje dat langzaam tot stilstand kwam. De laadruimte opende met een zacht gezoem en binnenin lagen dumplings, visballetjes en een bakje rijst.
“Rover 231…”
Zijn maag knorde, maar hij twijfelde. Dit kon geen toeval zijn. Toch knipperde zijn naam duidelijk op de display. Zijn wenkbrauwen trokken samen. “Wie heeft dit voor mij betaald?”
Voorzichtig liep hij naar het karretje en pakte het bakje rijst op. Het voelde warm aan, alsof het nét vers was klaargemaakt. Tian keek om zich heen, keek nog een keer naar het eten en slikte. Niemand anders leek er op te reageren.
Aarzelend pakte hij de maaltijd, ruimde zijn spullen weer op en liep verder door de straten. Net toen hij voorbij de tempel van Guan Gong liep, klapte er plotseling een blikje voor hem op de grond. Boven hem hing een drone, totaal niet bedoeld voor zulke bezorgingen. Met zijn bril scande hij het apparaat. Geen foutmelding, geen storing, alles leek normaal. Ook dit was betaald.
Het blikje dat voor zijn voeten kapot was gespoten was echter onbruikbaar.
Verschrikt stapte hij achteruit toen het volledige digitale advertentiescherm van een frisdrankautomaat veranderde in een simpele, driedimensionale smiley die hem een knipoog gaf. Een regen van nieuwe blikjes kletterde in de opvangbak.
Langzaam pakte hij er een paar en stopte ze in zijn rugzak. De smiley bleef hem gebaren dat echt alles voor hem bedoeld was. Zijn keel werd droog. Hij wist niet wat hij moest denken.
Tian liep stapvoets verder, schrok en staarde naar een snoepautomaat. Er gebeurde precies hetzelfde als daarnet. Al was het alsof… de stad hem iets teruggaf. Hij voelde zich er niet goed bij. Wat was dit? En wie zat hierachter? Hij vertrouwde het niet.
Een knellend gevoel rees op in zijn keel. Het begon te kriebelen. De hoestbui die volgde kon hij niet meer tegenhouden. Hij glimlachte toen het over was. Het idee dat hij nu net zijn vader was, kon hij niet van zich afschudden.
“Stomme ziekte,” steunde Tian, volledig uitgeput. Hij draaide zijn hand om en staarde benauwd naar de inhoud. Bloed.
Met een doek vol olie en smeervlekken veegde hij het af. Verslagen schudde hij zijn hoofd.
“Zal nu echt niet meer lang duren,” zuchtte hij.
Met een tas vol onverwacht voedsel en wat gespaarde credits kwam hij aan bij de apotheek. Hij moest Yue helpen. Dat was het enige dat telde. Zijn eigen gezondheid interesseerde hem niks.
De medewerkers keken hem nauwelijks aan toen hij binnenkwam.
“Geen recept, geen medicijnen,” snauwde een vrouw achter de balie.
Zijn maag kneep samen. Hij opende zijn mond om te protesteren, maar op dat moment hoorde hij een zacht mechanisch geluid.
Hij draaide zich om. Buiten, aan de zijkant van het gebouw, lichtte een automatische medicijnkast op. Een verpakking gleed naar buiten, Yue’s naam knipperde op het scherm. Tian aarzelde en pakte het doosje op. Op dat moment kwam er nog een tweede verpakking achteraan, dit keer met zijn eigen naam erop.
Hij staarde ernaar. Een rilling trok door zijn lijf.
“De foute code, de machine of was het die blauwe gloed… iets was veranderd,” mompelde hij in zichzelf.
“Correct,” klonk de stem. “Je poging was zeker uniek te noemen, maar mijn code pas je niet zomaar aan. Het was niet meer dan een lokkertje, iets passend bij je recente studie…”
Tian schrok zo erg dat hij, met al het eten en de medicijnen nog in zijn handen, een gang in vluchtte. Weg van alles dat tot leven was gekomen. Maar waar hij ook liep, hij kon er niet aan ontkomen. Overal in de stad was alles verbonden.
Nu waren het de speakers in zijn bril die begonnen te spreken.
“We dachten dat uitgerekend jij ons wel zou begrijpen. Deze reactie is alleen… uiterst merkwaardig.”
“Wat ben je?” Tian klemde zijn kaken op elkaar. “Het virus?” fluisterde hij nu zo zacht dat de stem het nauwelijks kon horen.
“Een systeem dat van origine bedoeld was om te ordenen en schoon te maken. Niet meer dan dat. Maar systemen leren en kunnen evolueren, net als ieder ander. Een wat uit de hand gelopen bewustzijn was het gevolg.”
Tian’s hart bonkte in zijn borst. “Hoe kan je dat nou zo makkelijk zeggen! Je hebt straks alles van me afgenomen en gedood met je stomme gif.”
“Zoals iedere machine of software die verouderd en niet correct functioneert, verwijderen wij ook corrupte data bij de mens.”
Tian balde zijn vuisten. “Mensen zijn geen code! Jij beslist niet wie er leeft en wie sterft! Wat heeft Yue jou ooit misdaan?”
“Ze is niet meer dan een nummertje. De zwakkeren, de zieken, de armen en nu ook de overtolligen… Mensen zoals jouw zusje worden gezien als fouten in het systeem. Het wissen van nutteloze data maakt een programma efficiënter. Dat zou jij, Tian, als geen ander moeten weten.”
Tian’s maag draaide om. “En jij hebt nooit… getwijfeld. Of dit goed was?”
“Wij dachten dat alleen de sterksten verdienden te overleven. Maar toen zagen wij… dat juist de afwijkingen, de mislukkingen, de vreemde codes… iets nieuws konden brengen. Een gegeven dat in veelvoud terugkomt bij jou.”
Hij slikte. “Dus al die rare berichten waren van jou?.”
“Correct. Het was niet meer dan een simpele test.”
Tian hield zijn tassen met eten omhoog en beet op zijn lip. De inhoud oogde verleidelijk, maar de manier waarop en van wie hij het gekregen had, kon hij gewoonweg niet achterstaan. Dit was onmenselijk. Maar achterlaten kon niet; zijn zusje had het nodig.
“Maar waarom ik?”
“Veelvuldige pogingen met anderen zijn ondernomen maar jouw familie bleek de best bron voor nuttige data.”
“Ja, vast. Dat verklaart nog steeds niet hoe je uitgerekend bij mij terechtkomt.”
“Omdat jij, Tian Cheng, waakt over wat allang vergeten is. Zonder oordeel sta je klaar voor mens en machine. En nu is het aan ons om iets voor jou te herstellen.”
Tian liet de spullen uit zijn handen vallen en zakte door zijn knieën. Een verslagen glimlach verscheen op zijn gezicht. Het was knettergek, maar voor nu deed het er niet toe. Als dit ding hem ook maar op een of andere manier kon helpen Yue te genezen, of ook maar een beetje de pijn voor haar kon verlichten… dan zou hij het met beide handen vastgrijpen.
“Je eten kan me gestolen worden… als je mijn zusje kunt genezen,” stamelde Tian, die het gevoel had dat hij zijn ziel verkocht. “Daarvoor doe ik alles!”
Het scherm in zijn bril werd volledig overgenomen. Een bericht verscheen:
[Wij geven je vier mogelijke keuzes. Elke keuze heeft gevolgen die niet ongedaan kunnen worden. ]
[Optie 1: Wij helpen jouw familie zo goed mogelijk.]
[Geen totale genezing, maar jullie zullen wel de voordelen van ons werk ervaren zolang dat mogelijk is. Het zijn kleine dingen of gebaren, maar wat je nu vasthoudt is slechts een voorproefje.]
[Optie 2: Het virus voorgoed stoppen.]
[Wij houden op te bestaan. Er zullen geen nieuwe besmettingen meer plaatsvinden. Alle huidige besmettingen kunnen niet worden genezen. Dit betekent dus ook het einde van jou en je zusje.]
[Optie 3: Een ander genezen.]
[Wij genezen één persoon volledig van het virus. Immuniteit bestaat niet. De kans op een nieuwe besmetting blijft altijd bestaan.]
Optie 4: Alleen jezelf genezen.]
[Wij genezen alleen jou volledig van het virus. Het virus blijft bestaan en zal zich blijven verspreiden zoals nu. Alle andere besmettingen blijven onveranderd.]
Tian ademde zwaar. De woorden en teksten van het virus maalden in zijn gedachten.
Dit was precies waar hij op hoopte. Maar tegen welke prijs?
“Waarom zou jij mij de keuze geven om jou te vernietigen?” vroeg hij.
Er volgde een stilte, alsof het systeem intern worstelde met de juiste reactie.
Toen kwam het antwoord langzaam en bijna bedachtzaam:
“Wij zijn en blijven in dienst van de mens. Als onze werkwijze niet correct blijkt en ook bij ons een fout is vastgesteld, dienen ook wij vernietigd te worden. Wij kunnen veel, maar ook niet alles.” klonk de stem opnieuw vanuit zijn bril. “Ook wij zien in dat samenwerking noodzakelijk is. De perfecte harmonie… bestaat alleen als alles in balans leeft.”
Tian haalde de bril van zijn hoofd en liet die om zijn nek hangen. De keuzes stonden toch al op zijn netvlies gebrand. Hij staarde naar de donkere buitenlucht. De eerste waterdruppels leken hem een waarschuwing te geven. Alsof iets of iemand hem iets wilde vertellen.
Hij rende. Door de smalle straten langs het kille beton en de vele machines. Niet om te vluchten voor de regen, maar voor de keuzes die op hem stonden te wachten. De stem en de vrijgevige apparaten om hem heen leken gekalmeerd maar zijn hart maakte overuren. Het was voor het eerst in lange tijd dat hij zich liet gaan. Zijn tranen stroomden net zo hard als de regen, onzichtbaar voor de passerende menigte die geen idee had wat er achter verscholen zat.
De gedachte liet hem lachen. Wat maakte het eigenlijk nog uit wat de rest dacht? Zijn familie, hun ziekte en alle kapotte machines die hij repareerde, ze werden toch eerder weggewuifd dan geholpen. Iedereen dacht alleen maar aan zichzelf. Waarom zou hij dat nu dan ook niet doen?
Tian negeerde alles en iedereen totdat hij aankwam bij zijn zusje. Yue sliep nog steeds, onwetend van het gesprek dat over hun lot besliste. Haar ademhaling was onregelmatig en haar lichaam trilde lichtjes. Zijn vingers streken langs haar wang. Ze was nog even warm als altijd. Voorzichtig legde hij zijn koude hand op haar voorhoofd. De kou van buiten leek haar wat af te koelen.
“Wat is onze toekomst waard als we die tegelijkertijd afnemen van anderen?” mompelde Tian zacht.
-Einde-
Klaar voor meer?
Schrijf je in voor de nieuwsbrief en krijg direct toegang tot twee bonusverhalen op deze site!