Skip to main content

Verafgodin

Ze kwam en ging met stapels kleding, soms een armvol borden en dan weer een mand vol fruit. Haar blik bleef strak gericht op elke perfect gehouwen trede, vastbesloten geen misstap te maken. De trappen kronkelden als aders door de stad en elke dag opnieuw voelde het alsof ze zich erdoorheen moest vechten. Het plein waar ze telkens langsliep was vertrouwd met de vele stenen bogen en de met klimop bedekte pilaren. Net als de oude man die altijd op het bankje voor zijn huis zat te eten, soms lezend en op andere momenten in gedachten verzonken. Behalve zijn gebruikelijke knikje dat hij gaf als ze hem weer eens voorbijraasde, kenden ze elkaar eigenlijk helemaal niet.

Tot vandaag.

Hoog boven haar spatten blauwe, rode en groene vonken uiteen als vuurwerk.

“Nee… ze zijn al weg,” zei ze, volledig buiten adem.

Deze magie herkende ze namelijk meteen; het waren de tempelpriesters die hun zegen uitspraken over de vertrekkende luchtschepen, vol avonturiers en magiërs die hun geluk beproefden op de pas ontdekte zwerfsteen.

Het knetterende geluid dat op onverwachte momenten de volledige bovenlucht kleurde leidde haar af.

“Ah, waarom zit vandaag alles nou tegen? Deze kleding was voor hén!”

Maar het was niet de stapel linnen die ze te laat zou afgeven waar ze zich druk om maakte. Het was de magieshow die nu boven haar plaatsvond.

“En ik sta hier nog beneden… Alles voor de goden, maar helpen doen ze niet. Ik had al lang bovenaan die stomme trap moeten zijn.”

Voor het eerst durfde ze haar hoofd op te tillen en haar blik los te maken van de veilige treden onder haar voeten. Haar gebruikelijke pas en ritme werden meteen verstoord.

En juist toen ging het mis.

Haar voet gleed weg en haar evenwicht wankelde. De mand kantelde. Stoffen gleden naar beneden. Net voordat ze de koude stenen zou raken voelde ze een warme hand op haar schouder. 

Ze vermoedde dat het de oude man moest zijn, maar hoe hij dat zo snel voor elkaar had gekregen was een raadsel. Zijn gebaren waren traag, aarzelend zelfs, maar ze hielpen haar overeind voordat ze begreep wat er gebeurde.

Voor haar voeten lagen de gevallen lappen, stoffig en verfrommeld. Hij raapte ze op, klopte ze schoon en stak ze haar zwijgend toe.

Zijn stem klonk rauw.

“Rustig aan. Je spullen kunnen best even wachten.”

Hij wees op een smal gangetje tussen twee zuilen in en zei zacht;

“Geloof me. Vanaf dáár heb je het beste uitzicht.”

Haar vingers klemden nog om de stoffen en haar hart bonsde onrustig. Ze had geen tijd om te wachten of te kijken, laat staan om te denken.

“Nu maakt het toch niet meer uit…” stamelde ze, terwijl ze de eerste passen richting het gangetje zette.

Vanaf het aangewezen balkon keek ze uit over de stad, die zich als een lappendeken van drijvende eilanden onder haar uitstrekte. Grote stukken land naast kleinere, verbonden door slingerende paden en trappen die als stiksels alles bijeen hielden.

Deze vliegende eilanden noemde men zwerfstenen, doordrenkt met magie. Onder haar voeten kronkelde een zorgvuldig uitgehouwen trap van steen, als een lint dat zich omhoog slingerde naar het hoogste punt; de tempel van de goden.

“Wauw… u had gelijk,” fluisterde ze. “Ik had dit plekje veel eerder moeten ontdekken.”

Haar ogen glansden hongerig terwijl ze naar de kleurrijke stralen keek die de luchtschepen achterlieten.

De oude man glimlachte flauwtjes en wreef door zijn wilde haar.

“Ach. Je hele leven besteed je aan het terugwinnen van tijd.”

Ze trok een wenkbrauw op en keek hem onbegrijpend aan.

“Op dit moment win ik anders nog niets. Als ik ook maar in de buurt kom van een luchtschip negeren ze me. Of ze jagen me weg alsof ik een stuk ongedierte ben.”

Ze beet op haar onderlip; de woorden brandden al langer in haar hoofd.

“Als ik ook maar een sprankje magie had, hoefde ik niet zoveel te rennen. Dan werd ik schathemeltje rijk. Ik zou het grootste huis kopen, een eigen stuk zwerfsteen. Nee, wacht, een luchtschip! Groter dan dat daar! Ik wil de wereld verkennen en alles aan de kant blazen wat me in de weg staat!”

Ze merkte nauwelijks dat de man haar voorzichtig van de reling tilde waar ze op was geklommen.

“Het besef van tijd komt met de jaren. Maar geloof me op mijn grijze haren; je besteedt je tijd niet aan dingen, maar aan gebaren.”

Ze zuchtte en haar blik volgde de luchtschepen die als kleine sterretjes in de verte wegdreven, steeds verder uit haar bereik.

“Dat zegt u alleen omdat u alles al heeft,” mompelde ze.

De oude man zei niets en keek naar de enorme zwerfsteen waar de luchtschepen naartoe vlogen. 

Na een stilte hoorde ze zijn stem, zachter dan voorheen.

“Ik heb inderdaad veel gehad,” zei hij. “Maar meer verloren.”

Het meisje keek op naar de oude man. Ze snapte niet precies wat hij bedoelde, maar ergens voelde ze het wel.

“Met de tijd,” zei hij, “komen pijn, verlies… maar ook liefde. Niet van jezelf, maar van de mensen om je heen.”

Ze sloeg haar armen koppig over elkaar.

“Pff, andere mensen,” mopperde ze. “Die verbieden me alleen maar dingen.”

Zijn blik veranderde even alsof haar woorden hem raakten.

Snel vulde ze haar zin aan, haar stem onzekerder.

“Als avonturier… dan kan ik tenminste beginnen met écht leven.” Heel zachtjes, bijna onhoorbaar, mompelde ze erachteraan; “Lekker doen wat ik wil. Geen anderen nodig.”

De man knielde langzaam tot haar hoogte. Zijn ogen leken voor het eerst iets te zoeken, alsof hij zelf ook niet precies wist wat hij moest zeggen.

“Je draagt al meer dan je zou moeten,” zei hij zacht.

Zijn hand rustte op haar schouder alsof die aanraking gelijk stond aan alle lasten waar hij het over had. Even later liet hij haar los en hield diezelfde hand nu pal voor haar neus, zo dichtbij dat haar ogen er scheel van begonnen te kijken en echt alleen zij het kon zien.

Geen gezang. Geen ritueel. Geen heilige spreuk.

Plots flakkerde er een klein vlammetje op zijn handpalm. Piepklein, maar warm; ze voelde de hitte kriebelen op haar neus. Net zo snel als het gekomen was, doofde het weer in de wind.

Ze staarde hem met open mond aan.

“Maar… hoe deed u dat? Zonder hulp van een God!”

Haar gezicht trok lijkbleek toen ze besefte wat er was gebeurd.

“U… u mág dat niet doen!”

Hij grinnikte droogjes.

“O, ik mag heel veel niet.”

“Maar hoe gebruikt u…” Ze slikte haar zin halverwege in toen hij een vinger op zijn lippen legde. Zijn blik maakte duidelijk dat ze moest zwijgen.

“Net als die rare goden van jou word ook ik niet altijd goed begrepen,” zei hij.

Ze fronste maar ergens begon er iets in haar te gloeien. Hoop. De mand die ze al die tijd zo had vastgeklampt dat haar knokkels er wit van waren geworden zette ze voorgoed naast zich neer. Dit was het moment om het verleden achter zich te laten en zich te richten op de toekomst.

“Leer het me, alstublieft!”

De man zuchtte.

“En zo begint het dus altijd; een goede daad die volledig uit de hand loopt.”

“Ah kom op, voor deze ene keer!” probeerde ze met haar meest onschuldige stem.

Hij schudde zijn hoofd en woelde met zijn hand door haar haar. De teleurstelling was zo duidelijk van haar gezicht af te lezen dat de man zichtbaar begon te twijfelen. 

“Oké, dan stel ik je deze vraag; waarom zou ik van alle mensen uitgerekend jou dit leren?’

Haar ogen sperden wijd open en haar adem stokte in haar keel. Het was duidelijk dat ze haar oren niet kon geloven. Overwoog deze man nu echt om haar het te leren? Deze kans mocht ze niet laten schieten. Dit was haar uitweg van dit vervloekte eiland waar ze dag en nacht moest rennen maar tegelijk altijd leek stil te staan.

“Om mee te mogen op een luchtschip!” riep ze uit.

Maar meteen voelde ze dat dat antwoord niet goed genoeg was. Haar blik gleed onzeker naar zijn gewaad en versleten sandalen.

Ze slikte en vroeg toen, veel serieuzer.

“Als er zoveel goden over ons waken, waarom gaat er dan nog steeds zoveel mis? Ze kunnen toch niet zomaar alles maken en het dan maar een beetje zijn eigen gang laten gaan?”

De man glimlachte en leek haar antwoord te waarderen.

“Zeggen ze niet dat mensen zoals jij de bedoelingen van de goden nooit zullen begrijpen?”

Ze trok haar wenkbrauwen op.

“Nou meneer, u zou een prima god kunnen zijn. Net zo vaag in uw antwoorden. En uw krachten houdt u ook maar mooi voor uzelf.”

Tot haar verrassing kuchte hij en keek haar verontwaardigd aan.

Ze stak haar kin uitdagend omhoog.

“U bent toch de befaamde trappenmaker? Als ik in uw schoenen stond, had ik die kracht van u voor iets goeds gebruikt en niet verspild aan iets nutteloos als deze trap.

“Met alleen “iets goeds’ red je het niet,” zei de man. “Daar is wat meer voor nodig. En deze trap… jij gebruikt hem toch? Net als zovelen. Het is de ader die alles met elkaar verbindt.”

Hij zweeg even. Toen klonk zijn stem met een vleugje trots;

“Geen greintje magie. Gewoon gebouwd met mijn eigen handen.”

Ze trok haar wenkbrauwen op.

“Nou, voor iemand die zo met tijd bezig is, hebt u er behoorlijk wat van verspild. Met een paar spreuken was u allang klaar geweest.”

Maar hij leek zich daar niets van aan te trekken.

“Het is niet altijd het resultaat dat telt. Soms gaat het om de weg ernaartoe.”
Zijn hand gleed over de stenen leuning, bijna alsof hij zichzelf eraan herinnerde waarom hij het had gedaan.

“Misschien egoïstisch, maar het hield me bezig.”

Ze volgde hem als een straathond die haar hoop nog niet wilde opgeven. Hij had niets beloofd, maar haar ook nog niet afgewimpeld.

Hij bracht haar op de hoofdtrap, die ze als geen ander dacht te kennen. Ook al gebruikte ze die meerdere keren per dag om bij de tempel te komen. Pas nu viel haar op dat sommige delen diep in de rotswand waren gehakt en andere stukken met sierlijke stenen waren gelegd. En hoe erg de weg ook slingerde. De treden waren nooit groter of kleiner dan hun voorganger.

“Waarom heeft u dit niet gewoon dichtgemetseld met wat steengruis?” zei ze, toen ze met haar vinger langs een scheur in de leuning gleed die was opgevuld met een gouden lak. Haar maag rommelde bij de gedachte; wat voor lekkers kon ze hier wel niet van kopen, wat absurd om hiervoor goud te gebruiken…

De man liep iets voor haar uit met zijn handen op zijn rug gevouwen. Hij draaide zich even om en ze zag een glimlach om zijn mond.

“Juist datgene dat breekt, heeft de kans om sterker terug te komen.”

Ze begreep er niets van, maar merkte nu pas op dat ook de andere scheurtjes en afgebroken stukjes op dezelfde manier weer aan elkaar waren verbonden. Samen met het beetje mos en de klimop die hier en daar de trap probeerden terug te winnen, maakte het op zichzelf al iets magisch.

“Kijk naar jezelf,” zei hij. “Iets wat gebroken is, is niet per se fout.”

Ze haalde haar schouders op. “Ha, ik heb anders nog niks gebroken.” Ze grijnsde, maar hij draaide zich alweer om en schudde zijn hoofd.

Plotseling groette hij iemand verderop.

“Goedemiddag, eerwaarde,” klonk zijn stem vriendelijk.

Ze schrok en boog haastig haar hoofd. Ze wist niet wie het was; haar blik bleef laag. Maar de stof herkende ze meteen; zijde zo fijn, zo heilig, dat ze het zelf niet eens mocht aanraken laat staan wassen.

Pas toen de voetstappen achter haar verdwenen durfde ze weer op te kijken. Haar blik bleef hangen op de oude man. Iets klopte niet. Zijn sandalen, eerder nog stoffig en gerafeld, leken ineens schoon. En die eenvoudige linnen tuniek, waar was die gebleven? In plaats daarvan droeg hij nu een donkerblauw gewaad met witte randen en fijn borduurwerk, net zo verfijnd als dat van de eerwaarde van daarnet.

Voordat ze haar mond kon opentrekken, zei hij; “De meeste mensen denken dat magie de oplossing is voor alles en dat je pas dan echte, ware hoogtes kunt bereiken.”

Ze zuchtte. Dit was inderdaad precies wat zij ook dacht. “Wat ik bedoel uit te leggen,” vervolgde de man, “is dat je helemaal geen magie nodig hebt in het leven.”

Voor het eerst was het juist het meisje die nu haar hoofd schudde en hem inhaalde.

“Dat kan wel zijn, maar ík heb het nodig,” stamelde ze nerveus, bang dat hij haar elk moment alsnog zou afwijzen.

Met zijn vinger drukte hij zachtjes op de plek van haar hart.

“Al goed. Laten we eens kijken of ik die vonk van jou kan omzetten in een ware vlam.”
Hij liep langs haar heen en gebaarde dat ze hem moest volgen.

“Je denkt vast dat vuur gewoon… heel heet is.”

“Is het niet?” vroeg ze.

Hij glimlachte.

“Het is zoveel méér dan dat. Het is leven en tegelijkertijd dood. Als je zogenaamde magie wilt begrijpen, moet je de oorsprong van het creëren voor je kunnen zien en de weg kunnen volgen tot het uiteindelijke doel dat jij voor ogen hebt. Van begin tot eind moet je begrijpen wat er precies gebeurt en het hele proces beheersen in je gedachten. Meer dan dat is het niet.”

Ze stopte met lopen en staarde met glazige ogen naar de kromme rug van de man. Geen enkel woord van haar eerste les had ze écht begrepen. Ze balde haar vuisten en schudde haar frustratie van zich af.

Het was nu of nooit.

Ze haalde diep adem en zette haar voet naar voren, recht in een diepe plas. Maar nog net voordat ze het water raakte streek er een windvlaag langs. Rimpels golfden over het oppervlak en het begon te bubbelen alsof het water kookte. En toen… verdween het gewoon. Alsof het er nooit was geweest.

“Was dat…?” Ze had geen idee wat ze nou gezien had.

“Warmte,” zei hij, alsof het niks voorstelde.

“Wat jij magie noemt, noemde ik ooit logica. Maar namen doen er niet toe.”

Haar blik brandde in zijn rug. Er zou geen sprankje magie meer aan haar voorbij gaan.

Bij het bereiken van de top strekte zich voor hen een indrukwekkende stenen brug uit; breed, met sierlijke bogen die zich vastklampten aan de overkant van de zwerfsteen waarop de tempel stond. De brug leek te zweven in het niets. Onder hen lagen wolken en verspreide flarden van de stad.

“Visualiseren, begrijpen en voelen, dat is nodig voor het beste resultaat,” zei hij terwijl hij over haar heen keek naar de vrijwel lege brug. Slechts een paar overgebleven tempelwachters hielden de wacht.

“Begin je het al te begrijpen?”

Ze fronste. “Ja, ik denk het.”

“Oh, zo snel al?” Hij klapte in zijn handen. “Laat maar eens zien dan.”

“Wat, hier, nu!?”

Een moment lang gebeurde er niets. Alleen het geruis van de wind die hun kleding deed wapperen.
Ze kneep haar ogen dicht, stak haar hand uit en spreidde haar vingers. Ze zoog alle lucht naar binnen die ze kon vasthouden en blies het er in één klap weer uit.

Niks.

“Denk aan datgene wat je wilt creëren. Waar het vandaan komt en wat het gaat doen.”

Ze keek hem met een kille blik aan en vroeg zich af of ze zijn magie misschien gewoon gedroomd had.

“Denk waar het vandaan komt… alsof dat wat uitmaakt,” mopperde ze. 

Er borrelde iets. Een woede die vastzat, opgesloten en ieder moment uitgeschreeuwd kon worden. Maar ze moest zich sterk houden. Niet voor zichzelf, maar voor haar nieuwe leermeester.

Haar gedachten dwaalden af. Haar handpalmen werden klam. Niet van vuur, maar van het harde knijpen.

En plots; een flits.

Een vlam schoot uit haar hand als een bundel vuur, raakte de rand van de brug en kerfde er een gloeiende kloof in. Het steen smolt letterlijk voor haar ogen tot een volledig segment van de brug verdwenen was. Verdampt.

Ze sprong achteruit. Haar hart bonkte in haar keel.

“Wat… deed ík dat!?”

Stemmen rezen zich achter hen op. De wachters. Ze kwamen eraan.

De oude man bleef kalm, te kalm. Hij hurkte naast het gapende gat en wreef over zijn kin.
“Mag ik vragen wat je precies voor ogen had?”

Ze slikte. “Een… een vulkaan die uitbarst?”

“Juist.” Zijn stem klonk bijna geamuseerd. “Niet bepaald het vonkje waar ik op hoopte, maar het werkt.”

Ze kon hem wel slaan. Of huilen. Of allebei.

Maar daar was geen tijd voor. De wachters stormden van beide kanten op hen af..

“Wat was dat?” snauwde eentje. “We zagen licht!”

De oude man haalde zijn schouders op. “Ik denk een oefening van de tempel. Of misschien een verdwaald zuchtje magie van de ceremonie.” Hij glimlachte traag. “De magie van de goden werkt soms op onverklaarbare wijzen,” zei hij bijna prekend, terwijl hij een gouden, stervormige ketting vastgreep die om zijn nek hing.

Ze had geen idee waar die ketting vandaan kwam. Het was alsof hij er ineens was, uit het niets. Net zoals het stuk brug dat even verdwenen leek, maar nu weer naadloos aan elkaar was gesmolten. Zelfs de reling stond er weer, ongeschonden. Alleen een paar subtiele glinsteringen in het oppervlak verraadden dat er iets bijzonders was gebeurd.

De wachters zagen het niet. Hun ogen kleefden aan de ketting, zijn gewaad en zijn houding. Ze zagen een man van status, niet de hulp met veel te grote ambities.

Ze deed het enige wat haar nu kon redden; zwijgen. Ze knikte plechtig en boog diep.

“Volg ons, eerwaarde,” zei een wachter, zonder haar nog een blik waardig te keuren.

Ze had de brug bewandeld met manden vol kruiden en emmers sop. Vandaag was anders. Ze droeg niets bij zich. En dat werd opgemerkt.

“Wat doe jij hier?”

De poort was nog niet eens volledig opengeduwd of een eerste priester kwam al op hen af. Jong en breedgeschouderd, hij had net zo goed een avonturier kunnen zijn. Zijn mondhoek trok op in iets wat op een afkeurend blik leek.

“Waar is je mand?” vroeg hij. “Of ben je weer je spullen vergeten?”

Ze slikte.

Het was een van de leerlingen die nooit iets anders deed dan zijn verkregen gezag misbruiken. Haar voeten wilden terug en haar hoofd draaide zich bijna vanzelf al van hem af, in afwachting van de klap die altijd volgde. Geen getrek aan haar oor of een schrale wang deze keer, maar… Het was de oude man die zijn opmerkelijk warme hand op haar rug legde en haar ondersteunde.

“Ze komt niet werken vandaag,” zei hij. Zijn toon was deftig en beleefd.

Ze kneep haar ogen iets samen en wierp hem een snelle blik toe. Was dit dezelfde oude man die haar net nog zo nonchalant met vuur had laten spelen?

De jongen knielde diep, zijn blik strak op de sandalen van de oude man gericht.

“Vergeef mij, eerwaarde,” mompelde hij. Pas nu leek hij te beseffen wie er voor hem stond; een hooggeplaatste tempelpriester, begeleid door maar liefst vier wachters.

De spanning in de lucht voelde haast tastbaar maar ze kon haar glimlach niet onderdrukken. Al die vieze restjes eten, de geniepige stokslagen en rotopmerkingen die ze van hem en de anderen altijd in overvloed had ontvangen, het was veel, te veel. Dit ene gebaar maakte het niet goed, maar het deed íets. En het gaf haar hoop. Hoe mooi de tempel er van buiten ook uitzag, van binnen was hij rot.

Ze zette haar eerste stap over de drempel van de in goud gegraveerde deuren. Het had haar altijd geweerd en tegen alle verwachtingen in stond ze vandaag opeens binnen. Prachtige vlindertuinen, fonteinen en paden zonder een sprietje onkruid of groen dat de verkeerde kant op sprong. Met open mond staarde ze naar de centrale kerk, de omliggende huizen en muren. Als er ergens nog torens hadden gestaan kon het zo doorgaan voor een waar kasteel. Het was enorm, veel groter dan ze ooit had verwacht.

“Zeg, wat gebeurt hier allemaal?” klonk het, terwijl een oud maar slank figuur op hen af kwam, zo dun dat het leek alsof zijn gewaad in het luchtledige om hem heen zweefde. De wijn in zijn glas klotste over de rand en zijn duizelende hoofd leek het allemaal niet meer te bevatten.

“We hebben hier een ceremonie voor onze goden,” vervolgde hij. Hij gebaarde nonchalant naar de wachters, die zich weer terugtrokken. “Volg mij. Het heerlijke eten en drinken zal jullie opvrolijken,” sliste hij.

“Maar beste heilige, dit… dit is een werkliet!”

Ze hoorde het niet eens. Haar blik werd volledig opgeslokt door de aanblik van plankjes kaas, versgebakken broden en stukken fruit die ze tot nu toe alleen had mogen dragen, nooit proeven. Tussen alle statige huizen was een plein dat volstond met kraampjes. Niet om dingen te kopen, maar puur en alleen om te eten. Bij elke stap die ze zette kwamen de geuren haar tegemoet. Haar ogen sperden zich wijd open. Tot de heilige plotseling in zijn pas stopte en op haar neerkeek. Strak. Beoordelend.

“Ach, genoeg glazen om te vullen,” hikte hij, en wilde nog een slok nemen. Na wat geknipper en gekrabbel aan zijn kin zag hij toch echt dat de wijn die net nog in zijn glas zat als een glinsterende stof in het niets leek te verdwijnen. Net zo als de waterplas op de tredes van de trap had haar meester voor de ogen van de heilige de inhoud doen verdwijnen. 

“Deze kleine dame is een nieuwe kandidaat,” zei hij terwijl hij zijn keel schraapte en snel wegdraaide om niet in de lach te schieten bij het zien van het stomverbaasde gezicht van de heilige. “Tot tempelpriester, om precies te zijn.”

De heilige hikte wat alcohol op, rolde aan zijn snor en deed zichtbaar zijn best haar goed in zich op te nemen.

“Ze heeft geen gewaad,” merkte hij op.

De oude man boog licht. “Het oog ziet niet altijd alles.”

Een tinteling trok over haar armen, en een warme windvlaag kroop langs haar huid. Voor haar ogen veranderden haar broek vol gaten en het stinkende shirt, nog nat van zweet, langzaam in een katoenen gewaad. De witte stiksels vraten zich door het materiaal zo snel dat de heilige het niet eens doorhad. Hij knipperde nogmaals en leek zich nu af te vragen of de alcohol echt naar zijn hoofd was gestegen.

“Poëzie, werkelijk waar prachtig,” zei hij terwijl hij over zijn voorhoofd wreef. “Maar dat maakt nog geen priester, beste heer.”

“Maar inzicht wel,” antwoordde de man, terwijl zijn blik kort naar haar gleed. Ze trok snel haar schouders wat rechter.

“Klinkt veelbelovend,” zei de heilige. Hij wilde weer uit zijn glas drinken, besefte dat het leeg was en drukte het snel in de handen van een leerling.

Ze haalde diep adem en hief haar hand, klaar om te laten zien wat ze kon. Maar nog voor haar vingers een sprankje licht konden opwekken duwde de oude man haar arm kalm maar resoluut naar beneden.

“Het lijkt me verstandig om dat nog even te laten voor wat het is,” zei hij op een toon die geen tegenspraak duldde.

De heilige wiebelde op zijn benen. “Ach, ach, ach… ze kan net als ieder ander beginnen bij het begin.” Hij zwaaide met zijn hand alsof hij een vlieg wegjoeg. “Het proces is lang, tergend traag zelfs. En als je geluk hebt zet je over een jaartje of tien misschien je eerste echte stap.”

Zijn geniepige grijns verdween abrupt toen een windvlaag hem uit balans bracht. Alleen een snelle greep naar een zuil voorkwam dat hij omviel.

“Onze heilige goden zijn natuurlijk niet voor de eerste de beste die hier ongevraagd binnen komt stappen,” mompelde hij verward.

Ze staarde teleurgesteld naar de oude man. Hij wist het haar altijd goed te verkopen, maar nu zag ze voor het eerst iets anders. Geen glimlach, alleen rauwe, ongefilterde frustratie. Zijn kaken stonden strak op elkaar en het klonk alsof hij iets inslikte wat leek op “idioot theater.’

Wat er in hem omging, wist ze daarvoor al niet, laat staan nu. Maar het was duidelijk dat hij de heilige nu echt zat was.

“Als dit het huis van de goden is, dan hoop ik voor je dat ze doof zijn voor al dat schijnheilige gedoe hierbinnen.” 

De heilige trok zijn wenkbrauwen op en keek voor het eerst pas echt serieus.
“U draagt wel onze kleding, maar uw geloof staat wankel. Besef dat deze prachtige wereld door hen is gecreëerd en dat wij daar slechts onderdeel van mogen zijn omdat zij dat simpelweg toelaten.”

“Idioot, moet je horen wie het zegt,” zei de oude man die nu roodaanliep. “Je staart je blind op verzonnen goden en ziet daardoor de werkelijkheid niet onder ogen.”

De woorden raakten de heilige en zijn blik versomberde nog meer.

“Demonen-aanbidders, dat zijn jullie!” 

De heilige deinsde een pas achteruit en sloeg zijn handen ineen.

“Oh god van de zon en wind, ondersteun mij om het kwaad voor mijn ogen te bestrijden.”

De woorden kwamen er wat stotterend uit, maar ze waren krachtig genoeg om de lucht om hem heen op te warmen. Het voelde als een heerlijke zomerse bries en was allesbehalve dreigend. Voor het eerst zag ze van dichtbij wat heilige magie werkelijk was.

Glinsteringen dansten om hem heen en hoewel de oude man had beweerd dat het allemaal onzin was kon ze niet ontkennen dat het er magisch uitzag. Bijna betoverend.

“Moet je kijken, magie van een heilige, en zo dichtbij!” snakte iemand die meteen kwam aanrennen.
“Voel je die lucht trillen!” riep een vrouw, terwijl meer mensen toestroomden.

“Wacht, dit is iets anders dan de magie van de ceremonie?” viel een van de opvallende toeschouwers op.

De lichtjes leken samen te komen tot een gouden ring die langzaam omhoog rees tot boven zijn hoofd.

Ze keek, knipperde met haar ogen en zei;

“Wel mooi… maar gaat het altijd zó… langzaam?”

De heilige hapte naar adem, raakte even uit zijn concentratie maar hervatte zijn spreuk. De gouden cirkel versnelde en de lucht trilde nu als voor een naderende storm.

“Nou toe, laat hem,” zei de oude man met een grijns, totaal niet onder de indruk.

Pats.
De aantrekkende wind verdween. Met een simpele knip van zijn vingers had de oude man de gouden cirkel in het niets laten verdwijnen.

De heilige stond met lege handen. Zijn mond half open.

De oude man geeuwde zachtjes. “Ach jongen,” zei hij, “Je magie zomaar verliezen op zo’n moment? Geen zorgen, gebeurt vaker op onze leeftijd.” Hij gaf hem een dikke knipoog. “Komt vanzelf weer terug. Als je er maar niet te veel over nadenkt.”

Wat verontwaardigd keek ze achterom toen ze de tempel achter zich liet. Ze was eindelijk binnen geweest. Verder dan ooit tevoren. Achter die grote deuren kon ze magie leren of een avonturier worden. Maar nu stond ze buiten. Ze wreef over haar maag. En erger nog, zonder ook maar een hap te nemen van al dat lekkers. 

“Au…” Ze botste tegen zijn rug. Hij was midden op de brug blijven stilstaan, starend naar de verte, de plek waar eerder op de dag de luchtschepen naartoe waren vertrokken.

De enorme zwerfsteen was zo dichtbij gekomen dat de schaduw ervan over de gehele stad trok.

“Je ziet pas licht als je het duister doorbreekt,” zei haar leermeester.

Tal van kleinere brokstukken die als een ring om het grote stuk zwerfsteen draaide, werden nu door de magie van hun eigen eiland aangetrokken. 

Onder hen gilden de eerste mensen die direct hun huizen in vluchtten. Maar de oude man? Die leek zich nergens zorgen over te maken.

“Zijn we in gevaar?” vroeg ze wat voorzichtig toen de eerste brokstukken dwars door de daken van huizen schoten. 

Hij keek haar aan met diezelfde ondeugende blik die hij eerder in de tempel aan de heilige had getoond.

“Zeer zeker. Vooral als de brokstukken ons raken. Maar daar hoef je je nu nog geen zorgen over te maken.” Hij sloeg zijn handen ineen. “Wat een prachtig moment om te ontdekken wat jij allemaal kunt.”

Ze wilde vragen wat hij bedoelde, maar de wind die haar leermeester boven op de brug uit het niets aanwakkerde sloeg haar in één keer bij de les. Niet omdat ze er bijna door van de brug werd afgeblazen, maar omdat tal van stenen nu recht op hen afkwamen.

Ze slikte. Haar hart bonsde. Dit was niet een oefening. Dit was echt.

“Kan je me de tempelmagie leren?” vroeg ze. Haar stem was vast en haar ogen groot. Gek genoeg voelde ze nauwelijks nog angst. Zolang hij er was leek het alsof haar niets kon overkomen. Misschien duwde ze hem daarom expres nu een beetje in het nauw.

Hij haalde zijn hand langs zijn gezicht en keek opzij, een tikkeltje geïrriteerd.

“Die…uitgerekend nu?” zei hij toen de eerste stenen met een simpel wuifje van zijn hand rakelings langs hen geen scheerde. 

Ze knikte en glimlachte lief.

Hij zuchtte diep.

“Stel je een ring voor die losjes om je vinger zit,” bromde hij. “Laat hem in je gedachten als een wiel steeds sneller draaien. Daardoor warmt hij op, geeft hij licht en net als het begint te schroeien…” Hij maakte een kort, piekend gebaar met zijn vinger. “Dan stoot je het simpelweg van je af.”

Ze fronste. Inmiddels wist ze maar al te goed; niks was simpel met deze beste man

Ze volgde zijn aanwijzingen en stelde een gouden ring voor die door een smid uit de kolen werd getrokken. Nee, dat was nog niet heet genoeg. Haar gedachten doken dieper, naar het binnenste van een vulkaan. De brandende lava spatte er in haar gedachten nog vanaf toen het om haar vinger begon te draaien, tot het zo heet werd dat ze het gevoel kreeg dat het ieder moment door haar vinger heen kon branden. Ze hief haar hand op richting de vliegende stenen, kneep één oog dicht om te mikken en piekte het van zich af. Als een stuiterbal die simpelweg van de rand van de brug af rolde viel het meteen de afgrond in..

“Nou,” zei haar meester terwijl hij over zijn achterhoofd wreef. “Het begin is er. Als je het afvuurt zou ik alleen eerder denken aan een speer die op zijn doel afschiet of een onstopbare pijl, niet zo’n futloze knikker.”

Ze concentreerde zich. En opnieuw vormde zich een gloeiende ring om haar vinger. Dit keer stelde ze zich voor dat dit kleine ringetje een luchtschip was dat regelrecht op de belagers af zou vliegen.

Een felle flits schoot door de lucht en raakte een van de brokstukken in de lucht. De impact was dan nog steeds te klein om ook maar iets uit te maken en missen met de hoeveelheid die op hun af kwam was ook niet bepaald lastig. Toch was het haar gelukt.

Ze staarde naar haar hand. Ademloos.

Had ze dit… echt gedaan?

“Ha!” riep ze. “Zag u dat? Het is gelukt!” Ze draaide zich triomfantelijk om.

Maar zijn gezicht lachte niet mee. Zijn ogen waren strak gericht op haar hand. Daar op elke vinger van haar rechterhand vormde zich nu een gloeiende ring. Niet één maar vijf.

“Eh… stop maar even,” zei hij, iets te snel. “Dit is… niet de bedoeling.”

Maar het was al te laat.

Als ongecontroleerde projectielen schoten de ringen alle kanten op. Sommigen misten compleet, anderen troffen hun doel.

“Rustig aan! Je hoeft niet de hele stad in de fik te schieten!” riep hij, terwijl hij zelf druk bezig was om de schade te beperken.

Ze lachte hardop. Dit was de magie en de kracht waar ze altijd zo op gehoopt had. Ze draaide haar hand nog een keer en vuurde opnieuw. Het was chaotisch en wild maar tegelijkertijd ontzettend gaaf.

“Oh mijn god, dit gaat allemaal net iets te snel…” hoorde ze hem achter haar hijgen. Iets aan de toon van zijn stem was anders.

“Zeg maar gewoon Claire,” zei ze pesterig, met een glimlach die ze nooit eerder had durven tonen.

“Nou goed, Claire. Stel je voor dat je alle macht bezit van die zogenaamde goden. Wat zou jij er dan mee willen doen?”

“Als eerste zou ik iets doen aan die zogenaamde tempelpriesters. Goden, priesters… uiteindelijk heb je er toch niks aan. Van mij mogen ze net zo goed allemaal verdwijnen.”

“Een paar slechten verpesten het vaak voor de rest. Maar wat nou als je die boosdoeners met een knip van je vingers zou kunnen laten verdwijnen?”

Met een grote glimlach knipte ze haar vingers.

“Niet dat ze ooit naar mij zouden luisteren.”

Haar meester zakte door zijn knieën en gaf haar een stevige knuffel.

“Pas als het oude kan wijken, kan het nieuwe groeien.”

Claire sloot haar ogen en voelde zich voor het eerst in tijden geliefd. Ze wist niet eens zijn naam, maar dat deed er niet toe. Hij leek haar te begrijpen en beter nog, er voor haar te zijn.

Maar haar ogen schoten open toen de eerder nog stevige omhelzing leek te verzwakken. De oude man, haar meester die net nog voor haar geknield zat, was verdwenen. Slechts de warmte van zijn omhelzing bleef achter.

“Meester,” snakte ze. Een traan gleed over haar wang, iets wat ze zolang ze zich kon herinneren, had onderdrukt.

De hele aanvaring met de mysterieuze man was zo plotseling gekomen en net zo abrupt weer verdwenen, dat ze begon te twijfelen of het wel echt gebeurd was.

Haar hart stak en sloeg op hol toen een zware donderslag insloeg. De flits kwam meteen, de klap van bliksem was oorverdovend maar er was nergens impact te zien.

Claire voelde de kou langs haar rug omhoog kruipen en begon te rillen. De enorme zwerfsteen, die net nog rustig hun kant op dreef, scheurde plotseling uiteen. Stukken braken los en schoten alle kanten op.

Ze slikte, verstijfde en kneep haar ogen dicht toen overal om haar heen gaten werden geslagen, in de brug, de trap, de huizen onder haar. Niets werd gespaard. Haar ogen opende zich direct toen de wind heftig aan haar kleding begon te trekken. 

De helft van de vliegende zwerfsteen brak doormidden en schraapte op slechts een paar meter langs haar heen. Haar oren suisden van de wind, van het gekraak en de vernietiging om haar heen. Nog voor ze kon knipperen, was de tempel verdwenen.

De klap kwam hard aan, snel en voelde onwerkelijk. Het laatste stuk dat nog overeind stond, zwabberde: de brug, met de poort en de deuren nog altijd gesloten.

Vanuit haar positie op de hoge brug keek Claire neer op de verwoesting onder haar. Ingestorte daken en straten vol zooi van de vele marktkramen die omver waren geslagen.

“Waar is hij…” mompelde ze terwijl ze zo ver mogelijk over de reling van de brug leunde. “Hij is de enige die de stad nog kan helpen,” Niet op de brug. Niet op de trappen. Nergens. Alsof hij nooit bestaan had. 

De regen van stenen leek te stoppen. En de helft van de enorme zwerfsteen die nog over was leek nu rustig boven de stad stuk te hangen. Vredig. Alsof er niks gebeurd was. 

Deuren gingen open en de eerste mensen kropen voorzichtig uit hun schuilplaats. 

Met een diepe zucht blies Claire de stress van haar af en daalde voorzichtig de trap af. “Meester is vast al naar benden.” 

DANG! klonk het vanachter haar.

Van schrik kromp Claire ineen. De dreun was zo luid dat haar botten ervan trilden.

DANG.

Een tweede. Dit keer vanaf de overkant van het eiland.

Toen een derde, een vierde, een vijfde, allemaal vanuit een andere uithoek. Het waren trommels van doek, verzwaard met magie. Ooit een waarschuwing tegen gevaar van buiten, maar nu wel echt veel te laat.

Dus waarom nu? Het gevaar is toch al voorbij? Of heb ik iets gemist? vroeg ze zich af.

Claire kneep haar ogen samen. Daar tussen de wolken zweefde iets. Groot en log, met een magische glinstering die meer weghad van een dovende kaars. Haar hart sloeg sneller. Het was een luchtschip.

Zonder verder na te denken rende Claire naar beneden. Sprong over gaten en slalomde langs puin dat haar pad naar beneden belemmerde. Ze moest weten of haar meester daar was. 

Aan de stemmen van de inwoners hoorde ze dat ze niet de enige was die opgelucht ademhaalde bij het zien van het luchtschip.

“Ze komen! Zie je het? Ze komen ons redden!”

“Eindelijk… eindelijk.”

“Vliegt het niet wat laag?”

“En scheef…”

“Wacht, waarom… landt het hier?”

De juichende stemmen stopten toen het ingedeukte luchtschip gevaarlijk dichterbij kwam. Recht op het binnenplein af. Sommigen konden nog net op tijd aan de kant springen toen het gevaarte met oorverdovend geknars de tegels ramde en schrapend door de straten gleed. Het splinterde stukken huis weg en ploegde in één keer een hele strook straat eruit toen het in het hart van de stad tot stilte kwam.

“Mijn broer was mee…!” 

“Waar zijn de anderen? Waar zijn de andere schepen?” 

“Is mijn man dood? Zeg me dat hij aan boord is!”

 

De opgelaaide stof prikte in haar ogen toen ze eindelijk beneden was. Iedereen leek te vechten voor het beetje zuurstof dat nog over was. Toen zag Claire het. Voor het wrak stond een vrouw boven op een stapel puin met een perkament in haar hand.

“Damien, gevallen.” De stem haperde. “Clément, vermist. Lucienne… gevallen.”

Het geruis in de menigte werd luider. 

“Waar zijn de andere schepen?”

De vrouw hief haar hoofd. 

“Die zijn er niet meer.”

Opnieuw flitsen en directe donderslagen. De eerste schreeuw sneed door het plein. Mensen begonnen spontaan te duwen en zetten het op een rennen. 

Geen wolk of regen te bekennen. Dat de inslagen werkelijk weer uit het niets leken te komen, keek niemand van op. Iedereen was teveel met zichzelf bezig om het ook maar op te merken.

“Typisch. Zeker een grap van de goden, als dit het enige antwoord is dat ze konden geven.”

“Zinloos,” stamelde Claire bij het zien van de tientallen, misschien wel honderden brokstukken die van alle kanten op de stad neervielen. De machtigste avonturiers, de sterkste magiërs, allemaal weg. Is dit het beetje dat nog over is? Zelfs het handjevol dat strompelend uit het wrak kwam, beefde en staarde met grote ogen naar de kolossale inslagen. 

“Dus dit is het,” zei Claire terwijl ze nog één laatste keer om zich heen keek op zoek naar haar meester. “Hij is er echt niet. Ik ben weer alleen,” fluisterde ze. Haar vuisten trilden en haar blik bleef hangen op de brug waar ze net nog met haar meester stond. “Lafaard… net als de goden. Weg. Ze zijn er nooit als ik ze nodig heb.”

Terwijl de massa vluchtte en zelfs de dappersten weken draaide Claire zich om. Elke stap die ze zette was zwaar. Haar angst beet haar lip kapot en de stroom van mensen schreeuwde dat ze moest vluchten. Maar waar heen? Niks leek veilig. Op dit moment had ze niets meer te verliezen. Dit voelde niet als haar thuis maar als een gevangenis in de lucht. Niets was het redden waard. Alleen de verbeelding van magie had haar rust kunnen geven, een doel in plaats van dit verrotte leven. Zolang ze die magie, al was het maar even, kon gebruiken vond ze het goed.

Mensen schreeuwden en richtten hun blik naar de lucht. Zelfs wachters die hun loyaliteit hadden gezworen verlieten hun post.

De trap die Claire vanaf jongs af aan ontelbare keren was afgerend, voelde nu anders. Elke stap voelde vertraagd, alsof de tijd even stil stond. De velen die naar beneden renden, de stenen die langs haar oren vlogen, niets leek nog uit te maken. Als ze uit het niets verpletterd zou worden, dan was het maar zo. Het enige wat ze nu nog wilde, was terug. Naar de brug. Het hoogste punt van de trap. De plek waar ze zich voor het eerst echt vrij had gevoeld.

“Als dit een droom is zou ik nooit meer willen ontwaken,” zei Claire toen voor haar een schim door de trap heen beukte en een vrouw in zijn greep meenam de diepte in. Zo snel dat ze het niet had gezien als ze geknipperd had.

De lucht stroomde door de opening heen en wilde Claire naar beneden trekken. Maar het was zinloos. Net als haar meester veranderde het in heerlijk briesje die haar alleen maar verder leek te kalmeren. Ze sprong over de verdwenen treden. Een simpele misstap zou haar net als de vrouw doen verdwijnen. Maar angst drukte ze weg.

Claire voelde de eerste ringen om haar vingers branden. Drie, vier… en toen de vijfde. Eindelijk, ze was boven. Aangekomen bij de brug, of tenminste wat er nog van over was. Hele happen waren eruit geslagen en als de brug niet door magie bij elkaar werd gehouden, was hij allang ingestort. Nu zweefden de overgebleven brokstukken gevaarlijk in het niets.

Wat nonchalant tikte ze de eerste ring weg.

“Dit gaat nooit werken zo,” mompelde ze in zichzelf.

Haar ogen gleden naar haar andere hand. Ze haalde haar schouders op en zodra daar ook ringen verschenen, kroop er een brede grijns op haar gezicht. Zo goed als alles miste zijn doel compleet en datgene wat ze raakte, was niet meer dan geluk. Pas nu zag ze dat het niet alleen afgescheurde stukken rots en stenen waren. Bomen, struiken en een waterval van zand en water stortten zich naar beneden. Haar doel was om de grotere projectielen te vernietigen of, in haar geval, wat te schampen en van koers te veranderen.

Het was de kramp in haar vingers die haar even liet stoppen.

“Waarom blijven die ringen nou steeds verdwijnen?”

Hoe goed of hoe snel ze een ring ook raakte, bij elk tikje verdween de magie meteen. “Wat als ik nou…”

Claire sloot haar ogen, perste in gedachten al haar wilskracht in een enkele ring en vuurde die af. Als een vallende ster schoot het vooruit, brandde een gat door het eerste de beste stuk rots heen en vloog door. Een tweede. Een derde. Tot de ring volledig uit het zicht verdwenen was.

“Nog een kleine aanpassing en dan is het helemaal perfect.”

Met dezelfde concentratie liet ze nu op haar andere hand nog zo’n ring verschijnen. Slechts een enkele ring voor iedere hand. Meer dan dat kreeg ze niet gevormd. Dit keer zwiepte ze ze met slechts een simpel handgebaar van zich af. Haar grijns werd alleen maar breder. De ringen verdwenen niet meer, maar bleven, net als de kapotte stenen van de brug, voor haar ogen zweven.

Een stuk boom scheerde op haar af. Ze deinsde achteruit en viel. De takken wilden haar met zich meesleuren, haar openhalen en de diepte in trekken. In paniek zwaaide ze haar handen alle kanten op. Maar nog voor het haar kleding had geraakt, bleef er niets meer van over dan een dunne mist, alsof het als brood van de bakker in vele plakjes was gesneden.

Kreunend kwam ze overeind en wreef over haar achterhoofd. De klap gonsde nog in haar schedel toen ze verschrikt opsprong. Dit keer waren het de ringen: eentje gleed als ijs over de stenen, de andere leek zich vast te klauwen in de hoeken van een traptreden. Het werkte allemaal niet helemaal hoe ze wilde. En echte controle over de ringen had ze nog steeds niet. Maar dat maakte niet uit.

“Dit is geweldig!”

Ze hijgde het uit toen ze besefte dat elke beweging met haar handen, haar vingers, hoe subtiel dan ook, de ringen om haar heen bestuurde.

De steenmassa met alles wat er bij kwam kijken dunde uit. Langzaam. Veel te langzaam. Maar hoe langer ze doorging, hoe meer plezier ze erin kreeg.

“We leven in geleende tijd die je uiteindelijk weer teruggeeft aan de wereld,” fluisterde een stem die ze meteen herkende; zijn vage wijsheden, die brommende toon.

Bang dat ze het zich slechts had verbeeld durfde ze zich niet direct om te draaien. Maar zijn vertrouwde hand op haar schouder stelde haar gerust. Met haar blik strak gericht over de verwoeste stad tastte ze aarzelend naar de zijne. Zijn dunne vingers en de rimpels, het was hem echt.

“Je bent wat uitgeschoten,” zei hij luchtig toen hij naast haar ging staan en zijn gewaad in de wind wapperde. Claire grijnsde breed en schopte een afgebroken stukje steen van de trap de diepte in. “Je hebt in ieder geval weer iets te doen.”

Hij schraapte zijn keel en zuchtte diep.

“Dat is zeker waar, maar die trap laat ik voor het wat het is. Mijn tijd zit er hier namelijk weer op.”

Claire keek hem nu geschrokken recht in de ogen aan.

“Gaat u dan dood?”

Hij lachte zacht. “Zeg, Claire, zei je toch? Waarom krijg ik nou steeds het idee dat je al mijn lessen totaal verkeerd begrijpt? Wat ik bedoel te zeggen is dat het niet hierbij ophoudt. Zoals deze zwerfsteen zijn er nog genoeg andere dreigingen.”

“Ik geloof dat ik die prima aankan.”

De man schoot in de lach en wreef over haar hoofd.

“En daar geloof ik nou ook in. Het is alleen…” Hij pauzeerde even, zoekend naar woorden. “Niet elk dorp of elke stad daarbuiten heeft zo’n heldhaftige beschermengel als jij.” Hij wees naar de plek waar net nog de tempel was en gebaarde met zijn hoofd richting de stad. “Om je weg wat soepeler te laten verlopen, heb ik alvast wat hardnekkig vuil verwijderd.”

Claire draaide zich volledig om toen ze zijn grip op haar schouder voelde verdwijnen. Een scherp geluid op de grond leidde haar af. Op de plek waar haar leermeester net nog had gestaan lag nu de gouden ketting die hij uit het niets had laten verschijnen en die hem tijdens hun tocht door de tempel had vergezeld. Ze beet op haar lip en raapte de schitterende ketting op. “Als ik dit verkoop, heb ik tenminste eindelijk wat lekkers te eten,” zei ze hardop. Ze wachtte nog op een snauw van hem, een teken, iets, maar er kwam niets meer. Hij was al verdwenen. De leegte trok door haar heen; of het haar hart was of haar maag wist ze niet, maar ze voelde onmiddellijk dat ze nu weer helemaal alleen was.

 Onder haar strekte zich de trap uit die hij eigenhandig had gebouwd, nu gehavend en als enige van alles nog staande. Zonder zijn aandacht was het nooit meer hetzelfde. Toch merkte ze dat zijn woorden bij haar bleven hangen. Wat ze wél zag, waren mensen. Talloze mensen; wachters, priesters, ambachtslieden en gewone burgers van de stad.

En precies op het moment dat haar blik hen raakte, zakte de menigte tegelijkertijd door de knieën.
  Claire slikte; haar hart bonsde. Waarom deden ze dit voor háár? Ze had niets meer gedaan dan haar frustratie uitgeleefd op ontelbare zwerfstenen, simpelweg voor zichzelf gekozen en gedaan waar ze zin in had.

Toch knielde de zwijgende menigte. Ze aanbaden haar met hun hoofd diep gebogen als een heldin.

Nee. Een god.

Precies datgene wat ze zo haatte, was ze nu door haar eigen daden geworden.

-Einde-